Over de
rel rond Bart De Wever.
Karel De Gucht heeft het debat van de afgelopen dagen
terecht dit genoemd van een ‘onverwerkt
oorlogsverleden’. Vraag is alléén
wié dit niet verwerkt heeft. Mijn vermoeden is dat dit
vooral voor Karel De Gucht en Patrick Janssens het geval is.
Voor zover ik het kan beoordelen lag de waarheid nog het sterkst bij de
Antwerpse dame, die uitgebreid aan bod is gekomen tijdens het
VRT-nieuws, en de nagedachtenis van haar vader-rijkswachter (van de
vroegere BOB) in verdediging nam tegen het opportunisme van een
burgemeester die zeer ongenuanceerd zijn eigen stad en haar
functionarissen een schuld op de nek heeft geladen die vandaag
inderdaad misbruikt wordt om Antwerpen in haar geheel te stigmatiseren.
Zonder de pretentie te hebben volledig te zijn, en zonder elk detail
onderzocht te hebben, de volgende bedenkingen.
- Had Patrick Janssens
gelijk met naar de joodse organisaties toe een gebaar te stellen?
Ongenuanceerd: ja. Waarom? Om te beginnen leeft er een uitgebreide
joodse gemeenschap in zijn stad, zij baat er een ontzettend belangrijke
economische sector uit en zij voelt er zich terecht en objectief
bedreigd. Maar vervolgens: in die gemeenschap heerst al lang
animositeit omdat het stadsbestuur zeer verdoezelend optreedt tegen de
nieuwe golf van jodenhaat, die vooral uitgaat van Marokkaanse
straatbendes. Het was juist om naar die gemeenschap een gebaar te
stellen, maar het had er een ander moeten zijn, en het had zeker niet
via een pontificale videoboodschap gemoeten die geen tegenspraak duldt
(zowat de stijl van de man). Net of er geen andere gelegenheden of
momenten geweest zijn. Janssens had zich al lang zeer duidelijk
politiek moeten distantiëren van wie een conflict uit het
Nabije Oosten naar Antwerpen wil transporteren (zoals de overheid van
Sint-Joost zich veel duidelijker zou mogen afzetten tegen wie een
conflict uit Anatolië naar Brussel wil halen). Er zijn daartoe
diplomatieke middelen, zoals het publiek convoceren van een
ambassadeur, consul of ereconsul en hen aanmanen om hun eigen
gemeenschap tot de orde te roepen. In de plaats daarvan pleitte Guy
Verhofstadt, na een bijna moord door snotapen van tien-twaalf jaar op
een joodse jongen in naam van de bevrijding van Palestina, voor lessen
over de holocaust op school. Dat is de kern van het taboe.
- Daarbij komt een volgend aspect: het afgelopen
decennium is er historisch onderzoek gebeurd naar het Antwerpse
oorlogsverleden, onder andere door Pieter Lagrou, waarbij sterk de
nadruk werd gelegd op de betrokkenheid van het
‘officiële’ Antwerpen. De medewerking van
het stadsbestuur aan de nazi-klopjacht werd daarin afgezet tegen die
van het ‘officiële’ Brussel, dat geen
medewerking zou verleend hebben. Ik kan niet oordelen over de waarde
van Lagrou’s boek, ik heb het niet gelezen, maar ik weet wel
dat het door de meest competente holocaustspecialist in dit land, Gie
Van den Berghe, ‘een pamflet tegen Vlaanderen’ werd
genoemd. De indruk werd namelijk gewekt – zo bleek al een
aantal jaren geleden tijdens een bespreking in De Standaard der
Letteren – dat Antwerpse ambtenaren en politieagenten bijna
van nature jodenhaters waren en de Brusselse bijna van nature
verzetshelden. In welke mate de betreffende historicus bewust die
indruk heeft willen verwekken kan ik niet beoordelen, noch in welke
mate het bronnenmateriaal die indruk bevestigt. Wat ik wel
weet is dat dit verhaal een rol speelt in de actuele politiek, zeker in
het zuiden van het land. Antwerpen, en bij uitbreiding Vlaanderen, zou
een natuurlijke neiging tot fascisme hebben, terwijl de Franstaligen
van nature kerstekinderen zijn. Los van het feit dat de
collaboratie van Léon Degrelle minstens zo perfide was als
die van een René Lagrou, die van Antwerpse
Vlaams-nationalist evolueerde tot Duitsgezinde nazi, is daar het feit
dat Vlaamse historici worstelen met het oorlogsverleden, terwijl
in het Franstalige landsgedeelte graag gedaan wordt alsof dit niet
heeft bestaan.
- Men komt dan tot de indruk dat wie zijn
verleden onder ogen wil zien, daarmee schuld bekent. Terwijl wie het
verdringt, afstamt van onschuldige lammetjes. Toegepast op
het actuele debat betekent dit dat elke nieuwe historische studie naar
het Vlaamse oorlogsverleden koren op de molen is van al wie
ongenuanceerd Vlaanderen wil culpabiliseren om het vandaag als
‘Vlaenderen’ spreekrecht te ontzeggen. De grote
fout in het optreden van Patrick Janssens is dat hij zich bij die club
heeft geschaard, en de grote vergissing van Bart De Wever is dat hij
daar impulsief op gereageerd heeft, vanuit een terecht gevoelen van
verontwaardiging.
- De houding van de Janssens’en en De Guchts
in deze heeft echter wortels en daarvoor moeten we teruggaan naar de
mea culpa van Guy Verhofstadt in Rwanda. Ook daar hebben we gezien hoe
ongenuanceerd optreden in zulke gevoelige kwesties averechtse effecten
heeft. Verhofstadt is in Rwanda gaan schuld belijden voor wat sommige
Belgen (georganiseerd door Leopold II) in Kongo honderd jaar geleden
hebben misdaan, en de Rwandese overheid heeft dit misbruikt alsof het
een schuldbelijdenis was voor wat onder andere zij zelf tien jaar
geleden heeft misdaan. Als stommiteit van de premier van dit land kan
dat tellen, maar als steeds is Verhofstadt daarmee vrijuit
gegaan, de volgende generaties achterlatend met het door hem
gecreëerde probleem. In Antwerpen lijkt Janssens,
toegejuicht door De Gucht, deze aanpak nauwgezet te imiteren.
- De vergelijking dringt zich op met paus
Johannes-Paulus II die ook schuld belijdend rond de wereld reisde en de
essentie verdoezelde. Pius XII (1939-1958) werd door hem persoonlijk
afgevoerd van de lijst van de zaligverklaringen, hoewel nog
steeds moet bewezen worden dat de beschuldigingen aan zijn adres als
zou hij een ‘nazipaus’ zijn geweest ook maar een
sprankeltje waarheid bevatten. (In werkelijkheid bestaat het dossier
tegen hem, volgens historicus Hans Jansen van het Simon Wiesenthal
Instituut, uit laster). In dezelfde sessie werd –
op aandringen van Wojtya – Pius IX (1846-1878) wél
zalig verklaard, terwijl hem alvast één zeer
duidelijk geval van antisemitisme voor de voeten kan worden geworpen,
de kwestie Edgardo Mortara. Ook het verhaal van JP II wordt daarom
tegen zijn kerk gebruikt, en Benedictus XVI lijkt zich
daarvan bewust te zijn. Hij heeft tijdens zijn bezoek aan Auschwitz
ondanks zeer zware druk – waaronder de laster alsof ook hij
een ‘nazipaus’ zou zijn – geweigerd het
Duitse volk collectief te culpabiliseren voor wat een bende
beroepsmisdadigers heeft uitgericht. Het gevolg echter van de
kruisigingdidactiek van Wojtyla is dat bijvoorbeeld de Arabische
ideologen vandaag veel misbaar maken over de kruistochten, maar
steevast ‘vergeten’ dat die een tegenaanval waren
tegen een djihad die 350 jaar eerder op gang was gekomen.
- Los van het feit dus wie welke misdaden wanneer heeft
begaan, lijkt het erop dat wie archieven van zijn verleden bijhoudt en
die later door historici laat onderzoeken zelf boter op zijn hoofd
laadt en in de zon gaat staan, terwijl wie zijn historisch
geheugen vernietigt later het historische gelijk aan zijn kant krijgt.
Nog een voorbeeld waar Janssens zich mag aan optrekken. Tijdens de
VN-conferentie over racisme in Durban in september 2001, is Europa
– aangevoerd door ‘onze’ Louis Michel
– (terecht) spijt gaan betuigen voor de slaventransporten
over de Atlantische Oceaan, maar hebben de Arabische landen geweigerd
zich te verontschuldigen voor die op de Indische Oceaan. En dit ondanks
het feit dat de Portugese aanpak geboren werd als kopie van de
Omanitische expertise. Daardoor is de beschaving waarin de doctrine van
de mensenrechten geboren werd nu de boosdoener, terwijl de beschaving
die deze doctrine nog steeds intrinsiek ontkent zichzelf moreel
superieur mag achten.
- Daarmee kom ik bij het meest trieste aspect
uit van het huidige optreden van Patrick Janssens en van de verenigde
liberale coryfeeën, van Michel via Verhofstadt tot De Gucht.
Hun manier van omgaan met het verleden kan alleen maar inspireren om
meteen elk historisch onderzoek stop te zetten en alles te laten
afhangen van de vooroordelen van het moment. Eén
voorbeeld slechts: wie het tijdens schoolreizen veel gebruikte joden-
of deportatiemuseum bezoekt in Mechelen, krijgt daar een prachtige
uitleg over welk een solidaire gemeenschap de joodse wel was, voor de
nazi’s haar vernietigden. In werkelijkheid bestond
er zeer weinig solidariteit onder de joden en zijn er goed
gedocumenteerde pleidooien bewaard gebleven van onder andere
toonaangevende Franse joodse organisaties van voor de oorlog om de
vervolgde geloofsgenoten uit Duitsland niet in het land toe te laten
omdat te veel joden het bestaande antisemitisme zou versterken. De
redenering wordt in Mechelen echter gemaakt dat vermits de joden
tijdens de oorlog objectief en onmiskenbaar slachtoffers waren van een
gruwelijke misdaad, zij voor de oorlog dienen geïdealiseerd te
worden. Het is in essentie die vervorming van ons historisch
geheugen vanuit de waan van het moment die Bart De Wever, vanuit zijn
diepgewortelde reflex als historicus, heeft willen aanklagen en dat
siert hem. Hij heeft dat – zoals hij zelf betreurt
– op een slechte manier op een slecht moment gedaan. Zijn
opmerkingen over het objectieve misbruik van het
‘jodendossier’ in de strijd tegen het Vlaams Blok
waren daarom zowel terecht als niet gepast.
(Janssens was daar inderdaad niet openlijk voor uitgekomen, maar dat is
in alles zijn verborgen agenda, zijn regeerprogramma vatte hij ooit
samen onder de noemer niet ‘deze stad leefbaar
maken’, maar ‘de nachtmerrie worden van Filip
Dewinter’).
Ook De Wevers kritiek op de huidige houding van Israël ten
overstaan van de Palestijnen was zowel terecht als niet gepast.
(Daarmee legde hij de vinger op de meest pijnlijke wonde, dat het
slachtoffer van zichzelf een beul maakt, maar in deze was dat inderdaad
een nevenkwestie). Kern van de
partijpolitieke recuperatie is echter wat iedereen in dit debat
verzwijgt: dat de joodse gemeenschap in Antwerpen openlijk aangemoedigd
wordt door de orthodoxe professor Henri Rosenberg om Vlaams Blok te
stemmen, uit onvrede met de politiek van het stadsbestuur ten overstaan
van de Marokkaanse bendevorming in Borgerhout. Dàt is het
taboe dat helemaal niet mag worden aangeraakt.
Bron : Eddy Daniëls
in DE STANDAARD
|